Prima alleen | Column

1 / 2
Linda Gottmer

’Ik dacht dat ik doodging’, zegt mijn oma. Ze zit op de bank tegenover me.

Vorige week belandde ze plots in het ziekenhuis. Het bleek niks ernstigs, gelukkig. Op dag twee at ze al ’heerlijke andijvie’, gekregen van de ’vriendelijke verpleging’ en op dag drie was ze weer thuis. Maar op dag één was ze uit het niets hondsberoerd.

’Ik voelde me zo naar’, zegt ze. ’Voor mezelf had ik er vrede mee als het klaar was. Erg hè?’ Even stil. ’Maar, nee. Opa kan toch niet alleen?’

Tijd om daar over na te denken krijg ik niet. Opa - die niet luisterde - loopt op me af. ’Heb je mijn nieuwe tanden al gezien?’ Ik schud van nee. Hij zegt dat zijn gebit nu in België in de maak is. Ik verlies even mijn aandacht als hij moeiteloos de technische termen van de tandarts napraat, maar ben er weer als hij zijn iPhone voor me houdt: ’Kijk.’ Ik zie een filmpje van hem met wittere, langere en rechtere tanden.

Later eten we - mijn moeder, opa en oma en ik - aan tafel een boterham. We bespreken het boodschappenlijstje. Zorgvuldig door mijn oma opgesteld aan de hand van wát wáár in de aanbieding is. Mijn moeder en ik zullen het later gaan halen. Er staat bladerdeeg op, want mijn oma wil een hartige taart van tv maken. Mijn opa zegt liefjes dat hij hem wel zal maken, omdat zij niet geduldig genoeg is om het bladerdeeg perfect passend in de taartvorm te drukken. Oma haalt haar schouders op.

Mijn opa begint weer over zijn toekomstige gebit. ’Ik ben bang dat ik het straks een vreemde man vindt’, zegt oma. ’Weet je nog dat oma Emmy nieuwe tanden had? Dat was ineens een ander mens, een heel raar gezicht.’ Opa haalt zijn schouders op.

Op de fiets terug vraag ik mijn moeder of ze denkt dat opa en oma - een beter geoliede machine bestaat niet - ook alleen kunnen. ’Daar is toch nog geen sprake van?’, reageert ze. Daarna: ’Ik denk het wel. Ze zijn goed samen. Maar doen het vast ook prima alleen.’

Net binnen