Asfalt kussen en ernstige schaafwonden | column

Maaike van der Plas

Soms heeft een kort zinnetje een grotere impact dan je je kunt voorstellen.

Achteloos liet ik het verzoek van mijn lippen vallen, gemotiveerd door het verlangen om zo snel mogelijk mijn natte wielerkleding uit te trekken en onder de warme douche te stappen. Ik richtte me tot het oudste lid van het gezelschap. „Zou je deze ibuprofenzalf en de paracetamol aan de gevallenen kunnen geven als ze langskomen?”

Ik plaatste de tube en de strip op tafel. Daarbij miste ik de subtiele verandering die mijn gespreksgenoot moet hebben ondergaan. Hij ging waarschijnlijk wat rechterop zitten. Hij was nu een man met een taak. Een missie.

Het jaarlijkse fietsweekend van de wielerclub is altijd een chaotische aangelegenheid. Dat was al zo toen we met twintig man naar de Ardennen gingen, maar nu, met veertig deelnemers in de Vogezen, neemt de chaos exponentieel toe. De groep bevat twintigers en zeventigers, kersverse wielrenners en oude rotten, berggeiten die binnen een uur op de top van de Grand Ballon staan en sprinters die twee keer moeten afstappen met kramp.

We zijn verdeeld over twee huizen. Het eerste huis bevat een zolder met flipperkasten en een kelder met een karaokebar. Het tweede huis komt met een kat die zich ’s nachts bij onoplettende renners tussen de laken nestelt.

In de voorbereidingen op het weekend heb ik me vooral gericht op training en het verzamelen van wielerkleding voor elk mogelijk weertype. Pas wanneer ik tijdens de eerste rit in de Vogezen op een smalle en zeiknatte weg met gladde bandjes en piepende schijfremmen moet afdalen, bedenk ik dat ik eigenlijk ook andere vaardigheden had moeten oefenen. Na een paar bochten wordt mijn vrees bevestigd: één van mijn clubgenoten ligt bebloed in het struikgewas.

Ook een tweede deelnemer blijkt enkele bochten achter mij het asfalt te hebben gekust. Gelukkig zijn hun verwondingen niet zo ernstig dat ze iets hebben aan een arts-assistent neurologie, maar beiden incasseren wel enkele indrukwekkende schaafwonden. Helaas is dat onderwerp niet aan bod gekomen tijdens de studie geneeskunde. „Dat doet de verpleging eigenlijk altijd”, verdedig ik mezelf beteuterd.

Een van de gewonden verblijft in huisje twee, dat naast een kat ook met een huisarts en een verpleegkundige is gezegend. De tweede gewonde zit bij mij in huisje één, waar ik net gedachteloos mijn spaarzame attributen en medische verantwoordelijkheid heb overgedragen aan de nestor van de club. Zijn voormalige beroep? Slager.

De slager voert de gevallene mee naar de eetkamer, waar hij aan de slag gaat met de zalf, een lading verband en gaasjes doordrenkt met alcohol. Tegen de tijd dat ik poolshoogte neem, zit het slachtoffer voorovergebogen aan tafel, lijkbleek en bezweet. Een vasovagale syncope (flauwvallen) is aanstaande. Ik leid hem snel naar de bank, waar hij liggend bij het open raam en met een glaasje water kan bijkomen van zijn behandeling.

De slager plaatst ondertussen zijn ervaring in perspectief: „Heb ik je al eens verteld over die keer dat ik tijdens het uitbenen van een varken het mes in mijn eigen dijbeen stak? Of over de vleeshaak die door mijn hand ging?”

Volgend jaar doe ik voor vertrek een cursus wondverzorging.

Net binnen